Rousseau: de eigenlijk niet zo heel grote filosoof

Voor filosofische vragen en persoonlijke problemen

Rousseau: de eigenlijk niet zo heel grote filosoof

Rousseau wordt door velen gezien als iemand die een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis heeft geleverd. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit voornamelijk te maken met de Franse Revolutie. Hij hoort namelijk niet bij de grote filosofen, terwijl hij wel die status heeft gekregen. De reden waarom Rousseau niet als een groot denker gezien kan worden, is omdat er niet echt een bijdrage door hem is geleverd aan de filosofie.

Wat wellicht gezien kan worden als zijn grootste bijdrage is het argumenteren vanuit persoonlijke gevoelens in plaats vanuit de rede. Een voorbeeld is het Godsbewijs van Rousseau: “Het bestaan van God kan geconcludeerd worden vanuit de schoonheid van de wereld, deze vervoering van de schoonheid geeft een gevoel dat alleen maar van God kan komen”. Of deze manier van redeneren goed is geweest voor de mensheid valt te betwijfelen, omdat sindsdien subjectief gevoel een bruikbaar argument is geworden.

Vanwegen zijn idee dat het gevoel belangrijker is dan de rede, wordt hij ook wel als de grondlegger van de romantiek gezien. In ieder geval maakte Rousseau dankbaar gebruik van deze ideologie om zijn daden te rechtvaardigen. Vooral als zijn gedrag moreel niet door de beugel kon was het een handig middel; zo zag hij bijvoorbeeld zijn warme hart als een excuus om voor zijn persoonlijk gewin te kiezen en zijn vrienden of geliefde in de steek te laten.

Hij werd geboren in een arm Genees gezin in 1712. Zijn vader was horlogemaker die bijverdiende als dansmeester. Op zijn twaalfde moest hij in de leer bij verschillende ambachtslieden maar vond dit niks. Hij bleef nog vier jaar in Geneve waarna hij in Savoye, om financiële reden, zich tot het katholicisme bekeerde.  

De bekering werd uitgevoerd in Turijn en gaf hem twintig francs. Na zijn commercieel succes in Turijn keerde hij terug in Savoye om tien jaar lang de maîtresse te worden van Madame de Warens.

Rond deze tijd zwierf hij door Europa. Niet altijd zich aan de wet of de moraal houdend. Tijdens deze periode deed hij zich bijvoorbeeld voor als Schots Jacobiet met de naam Dudding om een verhouding met een rijke vrouw te krijgen.

In 1743 kreeg hij een baan als secretaris van de Franse gezant naar Venetië. De gezant was niet bijster slim en werd door Rousseau opgelicht waarna de Franse staat weigerde zijn salaris te betalen. Door middel van een rechtszaak wist hij toch nog zijn salaris te krijgen; dit zette kwaad bloed bij de koning van Frankrijk.

Het geld van de gezant dat hij in 1745 wist te bemachtigen, gebruikte hij om een verhouding met Therese de Vasseur te beginnen. Ze kregen Vijf kinderen, toch weigerde hij te trouwen met haar. Volgens zijn autobiografie hield hij niet echt van haar. Volgens mensen die haar kenden was het een vreemde relatie, ze was lelijk, dom, kon niet lezen en kon geen geld tellen. Het leek erop dat hij voornamelijk was getrouwd zodat hij zich superieur kon voelen.

Zijn eerste literaire succes kwam pas in 1752. Hij deed mee met een wedstrijd waarin gevraagd werd om de voordelen van de wetenschap en de kunsten voor de mensheid te laten zien. Rousseau argumenteerde dat de wetenschap, de letteren en de kunst de oorzaak zijn van overmatig gezwoeg waardoor mensen geketend zijn in slavernij. Alleen de nobele wilde was daadwerkelijk vrij, de moderne mens is een gevangene van zijn eigen instituties.

Zijn tweede geschrift in 1754 won geen prijs. Het was een uitwerking van hetzelfde idee. De mens is van nature goed, door de bestaande instellingen wordt de mens bedorven. Om het kwaad ongedaan te maken, moeten we al het graan en ijzer weggeven zodat Europa weer in harmonie kan zijn met de natuur.

Door zijn successen vroeg Geneve in 1754 of hij terug wou komen in zijn geboortestad. Hij hoefde zich alleen maar te bekeren tot het calvinisme. Zoals het een goed protestant beaamt aarzelde hij geen moment om zijn katholicisme af te zweren en keerde hij terug naar zijn geboortestad.

Een andere filosoof die ook in Geneve woonde was Voltaire. Rousseau wou zich bewijzen als de grootste van de twee en had er plezier in Voltaire in alles tegen te spreken. De grote aardbeving in Lissabon, waar Voltaire schreef over de tragiek van de slachtoffers, greep Rousseau aan om te stellen dat het de eigen schuld van de inwoners van Lissabon was. Er waren zoveel doden omdat de Lissabonnezen tegen de natuur in hun huizen zeven verdiepingen hoog hadden gebouwd. Daarnaast vond hij dat het goed was dat de mensheid zo nu en dan uitgedund werd door natuurlijke of onnatuurlijk rampen.

Vanaf 1760 was Rousseau het productiefs. Hij schreef La nouvelle Helloise, Emile en in 1762 Le Contrat Social. Het boek Emile ging over de natuurlijke opvoeding waardoor de mens de ketens van de beschaving af zou kunnen doen. In Le Contrat Social bepleitte hij de democratie en ontkende hij het goddelijk recht van de koningen om te heersen over het volk.

Dat laatste boek kwam in de handen van de koning waardoor hij moest wegvluchten uit Frankrijk. Door zijn boek Emile dat de erfzonde ontkende, kreeg hij ook conflicten met de kerk.

Gelukkig werd hij uitgenodigd door Frederik de Grote. Na drie jaar in een klein dorpje in Duitsland te wonen waar hij een huis had gekregen, probeerden de inwoners hem te vermoorden vanwege zijn ontkenning van de erfzonde. Hij vluchtte naar Engeland waar George III hem jaargeld toe kende.

In het begin ging het goed. Hij werd geaccepteerd, hij raakte bevriend met de filosofen Hume en Burke en integreerde in de Britse society. Na een paar jaar werd hij paranoïde. Hij verdachte zijn beste vriend, David Hume, van een samenzwering om hem te vermoorden.

Uiteindelijk vluchtte Rousseau terug naar Parijs waar hij rond 1778 in armoede stierf, waarschijnlijk pleegde hij zelfmoord.

Ondanks dat hij als mens niet bepaald een goed persoon was, heeft hij als denker toch een (nogal destructieve) bijdrage aan de geschiedenis geleverd. Vooral dictators zijn dankbaar voor de ideeën van Rousseau.

Zijn theorie is dat het sociaal contract tussen het individu en de sovereign is. De sovereign kan de leider, of de heersende moraal binnen de gemeenschap zijn. Het belangrijkste is de volledige, onvoorwaardelijke overgave aan deze sovereign. Alleen de sovereign kan zeggen wat nuttig is voor de gemeenschap. Iedereen die weigert zich hieraan te houden wordt gedwongen om “vrij” te zijn.

Door deze theorie wordt hij soms gebruikt om een onderscheid te maken tussen twee stromingen binnen de politieke filosofie. De eerste theorie stelt de onderwerping aan de staat centraal, hiertoe behoren Hobbes en Rousseau. Hobbes is de grondlegger van deze theorie en Rousseau heeft er alleen iets aan toegevoegd. De tweede richting is het idee dat de rechten van het individu centraal staan, Locke is hier de bekendste filosoof van.

De invloed van Rousseau op de geschiedenis kan uit het bovenstaande gezien worden. Hij geeft de rechtvaardiging voor het keizerrijk van Napoleon, het dictatoriaat van het proletariaat door Stalin, en de eenheid van het Nationaal Socialisme door Hitler.

Dit is misschien het interessantste aan Rousseau: hij was als individu niet bepaald respectabel, hij was als filosoof niet bijzonder interessant, zijn invloed op de mensen waar hij persoonlijk contact mee had was op geen enkele manier constructief, zijn invloed op de geschiedenis van de mensheid was voornamelijk destructief, toch wordt hij herinnerd als een belangrijk filosoof.

Wellicht is dat het grote aan Rousseau, dat hij ondanks alles wat hij heeft gedaan toch wordt gezien als een groot filosoof.

Bronnen:

Bertrand Russel – Geschiedenis van de Westerse filosofie. 23e druk.

Jean Jacques Rousseau – Confessions. 1781

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Follow by Email
Facebook
WhatsApp